top of page

Ik ben nog nooit in therapie geweest

Zaterdagochtend zat ik aan de keukentafel met een Ierse thee die langzaam koud werd, verdiept in een essay van Clasina van den Heuvel in het Reformatorisch Dagblad. Ze volgt een opleiding tot contextueel therapeut en stelde een vraag die bleef schuren als een steentje in je schoen: hoe kan het dat we het hier materieel zo goed hebben, maar geestelijk nog nooit zoveel zielzorg nodig hadden?


Terwijl ik las, voelde ik schuld richting al die coaches en counselors die op een houtje moeten bijten omdat ik hen tot nu toe heb ontweken: ik ben nog nooit in therapie geweest. Niet omdat mijn leven een strak aangeharkt gazon is — integendeel, er waren redenen genoeg om de spreekkamer op te zoeken — maar omdat mijn wereld- en mensbeeld tot nu toe steeds een drempel vormde.


Als voorganger heb ik de afgelopen jaren veel leed voorbij zien komen. Ik heb mensen ontmoet met littekens uit hun jeugd, veroorzaakt door seksueel misbruik. Ik zag relaties ontsporen in het heden en hoorde angsten verwoord worden voor rampen die zich nooit zouden voltrekken. Rond de oprecht lijdende schapen van mijn kuddes cirkelden en wenkten praktijkondersteuners, life-coaches en gespecialiseerde therapeuten als reddingsboten in woelig water. Sommigen vonden vaste grond onder de voeten, anderen kwamen terug met meer ballast dan waarmee ze waren uitgevaren en duizelden in de draaikolken van de hulpverlening.


Als ik eerlijk naar binnen kijk, was er in mijn eigen leven de afgelopen 43 jaar ook geen gebrek aan schaduw. Een kind van gescheiden ouders, traumatische ervaringen, psychosomatische klachten bij stress, verlies, dood — en nog een lange lijst. Deels het gevolg van omstandigheden, deels simpelweg het karakter van dit beestje dat ik ben.

Toch zocht ik nooit externe hulp. Dom? Misschien wel. Wellicht was ik een evenwichtiger mens geweest, had ik mezelf beter leren kennen en congruentere keuzes gemaakt. Misschien had ik net zo soepel over mijn gevoelens kunnen praten als Erik Scherder over hersenen. Wie zal het zeggen.


Misschien had ik net zo soepel over mijn gevoelens kunnen praten als Erik Scherder over hersenen. Wie zal het zeggen.

De eerste reden dat ik nooit ging, is mijn hardnekkige geloof in de rafelrandjes van de ziel. Die losse draadjes, die splinters, die deuken — ze maken mij tot wie ik ben. Ik wil niet dat alles netjes wordt afgezoomd, gladgeschuurd en gestreken tot een onberispelijk geheel. Een mens is geen showroommodel, maar een gebruikt voertuig met karakter, krassen, butsen en deuken.


Misschien is dit een gevaarlijke gedachte. Maar ik huiver bij het idee dat ik door de ideeën van een ander gekneed zou worden tot een 21e-eeuws standbeeld van wat een man en mens hoort te zijn: strak, glad en zonder imperfecties. Mooi misschien, maar levenloos.


De tweede reden ligt in de helikopterview. Als ik opstijg en kijk naar het overbevolkte landschap van coaches en counsellors, vraag ik me steeds vaker af of zij niet fungeren als pleisters op een wond die we nauwelijks durven te benoemen — een wond die ondertussen is gaan etteren.


Ten diepste zijn het soms betaalde vriendschappen. Het failliet van individualisme en secularisme klinkt er luid in door. Omdat we niet meer werkelijk met elkaar verbonden zijn, huren we mensen in om ons vragen te stellen. Omdat we de verbinding met God zijn kwijtgeraakt, zijn we vergeten dat we niet geroepen zijn tot perfectie, maar tot het besef dat perfectie onbereikbaar is.


Ten diepste zijn het soms betaalde vriendschappen. Het failliet van individualisme en secularisme klinkt er luid in door.

Wanneer je leert geloven dat krassen mogen blijven zitten, dat falen niet het einde is, en dat je nooit dieper kunt vallen dan in de handen van de Levende God, verdwijnen al veel klachten als sneeuw voor de zon. En als je dan ook nog deel mag uitmaken van een gemeenschap waarin je eerlijk en ongefilterd je rommel kunt delen, dan lost misschien ook de rest langzaam op.


Vette disclaimer, voordat iemand struikelt: ik redeneer hulpverleners niet weg. Velen doen hun werk met toewijding en vakmanschap en helpen mensen werkelijk vooruit. Dankbaar!


Maar misschien zijn zij niet het fundament, het eerste loket— hooguit een steiger voor wie ten einde raad is. Het fundament en het huis zelf wordt ergens anders gebouwd. In onze relatie met God en met elkaar.


Zeg nou zelf: Zo’n huis met authentieke elementen is toch veel aantrekkelijker dan al die twaalf-in-een-dozijn nieuwbouw? Laat de Perfecte Chauffeur maar in je gedeukte auto rijden en vul de achterbank met al die mensen die ook onderweg zijn naar het beste dat nog moet komen.


De Bijbel staat vol met mensen die tegen zichzelf strijden. Jona is een van hen. Het is mijn favoriete personage in de Bijbel. In mijn boek Wanneer genade woede wekt focus ik op zijn innerlijke conflicten en zijn conflict met een God die veel genadiger is dan hijzelf. Zowel in paperback (14,99) als ebook (6,99 beschikbaar) in mijn webshop.


Wanneer Genade Woede Wekt
€14.99
Nu kopen


 
 
 

Opmerkingen


  • Amazone
  • download
  • Facebook Social Icon
bottom of page