top of page

Rouwkamers zijn beter dan feestzalen

Regelmatig kom je als Bijbellezer verzen tegen die onbegrijpelijk lijken. Uitspraken die schuren, die bijna weerstand oproepen, maar die – als je ze laat bezinken – de spijker precies op de kop slaan. Gisteren was het weer eens zover.

“Het is beter te gaan naar een huis van rouw dan te gaan naar een huis van feestgelag; want dat is het einde van ieder mens en de levende neme het ter harte.”(Prediker 7:2)

Eerlijk gezegd: je moet wel een beetje gek zijn als je liever naar een begrafenis gaat dan naar een trouwerij. Liever aan een sterfbed zit dan aan de keukentafel met een biertje en een schaaltje borrelnootjes. Het huis van feestgelag wint het in onze beleving overtuigend van het huis van rouw. Maar de Prediker denkt er anders over. En als ik in mijn eigen leven terugkijk, begin ik hem langzaam maar zeker gelijk te geven.


In 2020 stierf mijn vader, na een tijd tussen hoop en vrees, aan lymfeklierkanker. De dag vóór zijn sterven bevond ik mij nog in een huis van feestgelag. Mijn schoonouders uit Harkema waren veertig jaar getrouwd en dat werd – terecht – uitbundig gevierd. De tuin was versierd, er werd gelachen, herinneringen werden opgehaald en met een mooie fotoreportage vierden we samen dat zij al veertig jaar lief en leed met elkaar deelden.


Nog geen 24 uur later zat ik aan het sterfbed van mijn vader.


Door het feestgedruis had ik, in de schemering van de nieuwe dag, meerdere oproepen van mijn zusje gemist. Om zeven uur ’s ochtends schrok ik wakker, voelde meteen dat het mis was, en reed met een rotgang naar Veenwouden. Hemelsbreed nog geen kilometer van de plek waar hij ooit geboren was – in een klein kruidenierswinkeltje in Kuikhorne – zou hij zijn laatste adem uitblazen. De gezellige woonkamer waar we samen jarenlang voetbal hadden gekeken, werd ineens een plek van rouw.


Als ik je de vraag zou stellen: waar zou jij dat weekend liever zijn geweest? Dan is de kans groot dat de vrijdag in Harkema het wint van de zaterdag in Veenwouden. Het huis van feestgelag trekt nu eenmaal meer dan het huis van rouw.


En toch… Prediker heeft gelijk.


Ik begin te geloven dat je inderdaad beter naar een huis van rouw kunt gaan dan naar een huis van feestgelag. Laat me een paar inzichten delen die ik daar heb opgedaan.


Ten eerste leer je in een huis van rouw lessen die je op een feest nauwelijks leert. In rouw sta je stil bij het einde van een mens. De ene dag is hij er, de volgende dag niet meer. Het leven blijkt kwetsbaar, breekbaar. Als gras, als een bloem: vandaag in bloei, morgen verwelkt. Gods Woord noemt het een damp, een mist. Wie een rouwkamer binnenstapt, wordt onvermijdelijk met de neus op die werkelijkheid gedrukt.


Ten tweede is een huis van rouw ook een plek van kostbare herinneringen. Aan het sterfbed van mijn vader hebben mijn zusje en ik zelfs nog gelachen. Om zijn grappen, om de streken die hij – en wij – vroeger uithaalden. Juist in rouw ga je iemand soms nog meer waarderen dan tijdens het feest.


Ten derde valt in een huis van rouw alle grootspraak weg. Je wordt klein. Nederig. Oog in oog met de dood besef je hoe afhankelijk je bent. Afhankelijk van Degene die het leven geeft, maar het ook weer tot Zich neemt. Bij een uitvaart, of op het moment dat samen het deksel op een kist wordt gesloten, heb je kracht nodig die je niet in jezelf vindt. Dat is een afhankelijkheid van God die je in een huis van feestgelag veel minder snel tegenkomt.


Ik kan er inmiddels van getuigen: dit woord uit Prediker 7:2 is waar. Hoe paradoxaal het ook klinkt. In rouwkamers liggen vaak diepe lessen verborgen. Er ligt goud in de modder.


En wie het durft op te rapen, wordt er rijker van.



 
 
 

Opmerkingen


  • Amazone
  • download
  • Facebook Social Icon
bottom of page